Rekenen was in 1795 minder belangrijk dan zingen in het onderwijs

03-08-2016 17:32

Bad Nieuweschans- Nu de schoolvakantie in volle gang is en op 28 augustus al weer voorbij is, kwam de redactie in het Vestingmuseum een artikel tegen hoe het in de 18e eeuw in Nieuweschans het met het onderwijs gesteld was. (Bron: Vestingmuseum Bad Nieuweschans)

Tot 1795 was het onderwijs een zaak van de kerk. De onderwijzers werden door de overheid benoemd, doch deze benoeming moest in overleg met de predikant en de kerkeraad geschieden.

 

De te benoemen leerkracht moest zijn: “Lidmaat van de waare Gereformeerde gemeynte, gesont in ’t geloven – vroom, eerbaar, Godzalig en stigtelijk van leeven.” Kennis van lezen, schrijven en zingen golden als een eerste vereiste; rekenen kwam pas daarna.

Voordat de meester zijn ambt aanvaarde, moest hij eerst verschijnen voor de classis, waar hij zijn getuigschriften moest laten zien. Ook moest hij de belijdenis en de catechismus ondertekenen met de oprechte belofte om die naar beste vermogen aan de kinderen te leren.

 

De schooltijden waren:  van 1 april tot 6 september; viermaal per dag 2 uur,

         nl.     van    6       tot     8       uur,

                   van    9       tot     11     uur,

                   van    12     tot     14     uur,

         en      van    15     tot     17     uur

Van 1 september tot 1 april; tweemaal per dag 3 uur,

         nl.     van    8       tot     11     uur

         en      van    12     tot     15     uur

De woensdag- en zaterdagmiddagen waren vrij.

 

Op 1 juli begon een vakantie van drie weken en aan het eind van het jaar was er nog vakantie van 16 dagen, nl. 8 dagen voor “Midwinter of ’t Christfeest” tot 8 dagen na Nieuwjaar.

 

Voor de kinderen, die overdag werkten bij de boer of de ambachtsman, waren er avondlessen. 

 

De meester ontving van iedere leerling per week één stuiver schoolgeld en ’s winters één turf voor de verwarming van de school. De meestersvrouw maakte vaak van de gelegenheid gebruik om in de klas het eten te koken of de was te drogen.

Omdat het salaris zeer weinig was, probeerde meester er bijbaantjes bij te krijgen, hoewel dit verboden was.

De meester was tevens koster, voorzanger en voorlezer in de kerk, alsmede “opwinder van de horlogerie”, d.w.z. hij moest het uurwerk in de Hoofdwacht opwinden. 

 

Het onderwijs na 1795 

 

In 1795 werden op bevel van de Franse overheid kerk en school gescheiden. Dit betekende dat de overheid voortaan niet meer betaalde voor de kosters en de voorgangers. Voor de schoolmeester betekende dit een halvering van zijn salaris. De “openbare”onderwijzer kreeg wel van de overheid toestemming om koster in de kerk te zijn, doch het kosterloon moest door de kerk worden betaald.

Financieel ging deze scheiding pas in op 1 januari 1861, zoals blijkt uit het Koninklijk Besluit van 26 januari 1861;

“Voor de koster ’s jaarlijks f 100,=, te rekenen vanaf 1 januari 1861, welke som tot dusver was begrepen in de traktement van f 225,=, hetwelk de onderwijzer, tevens koster, voorlezer en voorzanger ontving,”

 

Vanzelfsprekend verviel bij de benoeming van een openbare onderwijzer ook het overleg vooraf tussen overheid en kerkbestuur. 

 

2) HET ONDERWIJS GEGEVEN IN DE “KOSTERY” (1628-1821)

 

Tot 1821 werd het onderwijs gegeven in de zgn. “Kostery”, het huis dat grensde aan de kerk en de binnenwal. De “Kostery”was tegelijk schoolmeesterswoning en school, bestaande uit een woonkamer met daarachter het schoolvertrek en een “washuys”.

Tussen de kerk en het huis was een nauw gangetje.

Dagelijks werd les gegeven aan negentig tot honderd leerlingen, gezeten in een kleine, bedompte ruimte.

In 1820 was de toestand blijkbaar zo onhoudbaar geworden, dat het gemeentebestuur zich met een dringend verzoek richtte tot “Zijne Majesteit den Koning” te Brussel, om aan het slechte onderkomen van de school een eind te willen maken. Verzocht werd om een sinds jaren niet meer gebruikt rijksgebouw (een zgn. turfloods, gelegen tegenover de “Kostery”) te willen afstaan aan de gemeente om deze te kunnen inrichten als schoolgebouw.

In 1821 werd aan dit verzoek voldaan. Bovendien ontving het gemeentebestuur een subsidie van f 800,=, welke bestemd was voor inrichting van de nieuwe school.

(foto: De Garnizoenskerk met de aangrenzende woning, waar les werd gegeven)